De olieprijs kan in een paar uur tientallen dollars bewegen, zoals deze week gebeurde door de oorlog rond Iran. Toch is dit slechts één signaal uit de grondstoffenmarkt. Nog eens tien indicatoren tonen waar de druk in de energiemarkt écht oploopt.
De prijs van Brent-olie schoot maandag kort richting 120 dollar per vat door zorgen over de economische gevolgen van de oorlog met Iran. Maar de nacht daarna draaide de markt abrupt toen Donald Trump liet doorschemeren dat de aanvallen volgens hem binnenkort voorbij kunnen zijn.
De spanning op de energiemarkten nam af, net als de sterke prijsdruk op de termijnmarkt. Volgens Midden-Oosten-energiespecialist Cyril Widdershoven van Blue Water Strategy is van echte ontspanning echter nog geen sprake. ‘Het is niet voorbij. Dit is alleen voor de bühne. Uit angst voor een hoge benzineprijs aan de pomp in de VS’, zei Widdershoven tegen Investment Officer.
De olieprijs op de termijnmarkt toont ‘de zichtbare buitenkant’ van de markt. De echte signalen van stress in de markt verschijnen vaak elders: in tankerprijzen, raffinagemarges, brandstofprijzen, scheepsverzekeringen en het verschil tussen fysieke olie en financiële contracten. Hoe staat het ervoor met deze indicatoren?
1. Fysieke olie versus papieren olie
De fysieke oliemarkt draait om daadwerkelijke ladingen die moeten worden vervoerd, verzekerd en verwerkt. Daar wisselen producenten, raffinaderijen en handelshuizen zoals Vitol en Trafigura vaten uit, terwijl de futuresmarkt bestaat uit ‘Wall Street-raffinaderijen’ die verwachtingen weerspiegelen, posities en het sentiment van financiële beleggers.
Traders kunnen op papier grote posities opbouwen zonder ooit een vat olie te zien. Slechts een beperkt aantal contracten is gekoppeld aan fysieke leveringen, bijvoorbeeld voor Brent-ladingen in Sullom Voe op de Shetlandeilanden of WTI in Midland, Texas. Wie zo’n contract om 17.00 uur op de expiratiedag aanhoudt, moet plotseling beschikken over transport, verzekering en een raffinaderij. Die is dan ‘five o’clocked’, zoals dat heet. Dat kan duur uitpakken als je enkel een kantoor op Wall Street hebt. Handelaren van oliemaatschappijen zetten hedgefondsen op deze manier graag voor het blok.
Als futuresprijzen sneller stijgen dan die in de fysieke markt, zoals afgelopen week het geval was, kan dat dus eerder financiële dynamiek zijn in plaats van een echt tekort aan olie.
2. De termijncurve
De structuur van de termijncurve is een belangrijk diagnostisch instrument in de oliemarkt. Twee begrippen zijn hierbij cruciaal: backwardation en contango. Bij backwardation liggen prijzen voor directe levering hoger dan voor latere levering. Dat wijst op schaarste in de fysieke markt. Contango is het omgekeerde: spotprijzen zijn lager dan futures voor latere levering.
Brent stond maandag in sterke backwardation. Het contract voor mei 2026 noteerde rond 100 dollar per vat, terwijl januari 2027 dichter bij 75 dollar lag. Dinsdag was dat verschil al teruggelopen tot minder dan 20 dollar.
Dat suggereert dat handelaren de huidige krapte als tijdelijk zien. De markt zegt feitelijk twee dingen tegelijk: olie is vandaag schaars, maar het systeem verwacht dat het aanbod zich herstelt.
Oftewel: de oliemarkt prijst krapte, geen paniek.
3. Diesel en raffinagespreads
De zogeheten dieselcrack — de dieselprijs minus de olieprijs — weerspiegelt de vraag vanuit transport, scheepvaart en industrie. Wanneer het aanbod onzeker wordt, lopen deze marges vaak snel op. Afgelopen week was dat het geval. Met een spread van ruim 50 dollar per barrel staat deze crack spread op het hoogste niveau sinds eind 2022. De Europese dieselprijs in de ARA-spot market (Amsterdam-Rotterdam-Antwerp) is gestegen tot boven de 1.000 dollar per ton, ook het hoogste sinds eind 2022.
Voor de productie van diesel geven raffinaderijen doorgaans de voorkeur aan ruwe olie uit de Perzische Golf, zoals Basrah Heavy (Irak), Kuwait Export Crude (KEC) en Arab Light (Saoedi-Arabië).
Daarnaast speelt mee dat de Europese raffinagecapaciteit al jaren krimpt: van meer dan 800 miljoen ton in 2009 naar ruim 638 miljoen ton in 2024. Daardoor heeft Europa minder ruimte om schokken in het aanbod op te vangen.
Hogere dieselprijzen werken vrijwel direct door in de economie. Ze vertalen zich in duurdere vrachttransporten, hogere logistieke kosten en uiteindelijk in hogere prijzen aan de pomp.
Dieselprijzen geven een nog scherper stress-signaal dan ruwe olie zelf.
4. De kerosinemarkt
Kerosine biedt een tweede venster op de raffinagesector. Sinds het uitbreken van de oorlog met Iran zijn de prijzen voor vliegtuigbrandstof meer dan verdubbeld. Tegelijk blijft Europa sterk afhankelijk van import. Volgens data van Kpler en Vortexa komt meer dan de helft van de Europese jetfuel-import uit de Golfregio, terwijl het aanbod op de Europese markt structureel krapper is geworden.
De prijzen voor vliegtuigbrandstof stegen vorige week met 28 percent tot 1.285 dollar per ton. Dat is 79 percent hoger dan de gemiddelde prijs in 2025, volgens luchtvaartorganisatie IATA.
Voor luchtvaartmaatschappijen vormt brandstof een van de grootste kostenposten. Wanneer kerosineprijzen stijgen, worden hogere ticketprijzen vrijwel onvermijdelijk.
5. Nafta en de chemie
Vanuit de bovenkant van de destillatietoren komt een ander belangrijk signaal: nafta. Nafta is de lichtste fractie uit het raffinageproces en een essentiële grondstof voor de petrochemische industrie, onder meer voor plastics en oplosmiddelen. Grote delen van de Europese chemiesector zijn afhankelijk van nafta.
Stijgende olieprijzen vertalen zich daardoor direct in hogere productiekosten. De prijs van nafta steeg maandag richting 800 dollar per ton, het hoogste niveau sinds juli 2022.
De Duitse brancheorganisatie VCI waarschuwde gelijk dat bedrijven de hogere energiekosten door de Iran-crisis zullen moeten doorberekenen. Die effecten kunnen weken of maanden aanhouden.
6. Tankertarieven en Worldscale
De tankerindustrie geeft vaak een van de duidelijkste signalen van stress in het systeem. Tankertarieven worden wereldwijd genoteerd via het zogenoemde Worldscale-systeem, een standaardindex die vrachtprijzen uitdrukt als percentage van een referentietarief voor een specifieke route en een specifiek type tanker. WS100 betekent dat precies het referentietarief wordt betaald; WS150 ligt daar 50 procent boven.
De afgelopen week zouden tarieven voor VLCC’s op belangrijke Golf-routes zijn gestegen tot ongeveer WS700. Dat betekent dagopbrengsten voor rederijen tot circa 500.000 dollar.
Voor handelaren kan dat oplopen tot ongeveer 20 dollar extra transportkosten per vat.
7. Scheepsverzekeringen
Verzekeringspremies bewegen meestal mee met de tankerprijzen en zijn meestal verdisconteert in het Worldscale tarief. De Londense Joint War Committee, onderdeel van de Lloyd’s-verzekeringsmarkt, houdt een lijst bij van zeegebieden met verhoogd oorlogsrisico. Schepen die zo’n zone binnenvaren moeten aanvullende verzekeringen afsluiten.
Vorige week voegde de commissie Bahrein, Djibouti, Koeweit, Oman en Qatar toe aan de lijst voor oorlogsrisico, piraterij en terrorisme.
Het Witte Huis opperde ook het idee van een door de VS gesteunde verzekeringsregeling voor tankers die in de Golf opereren, maar dat voorstel heeft tot nu toe weinig weerklank gevonden bij reders en verzekeraars.
Hogere verzekeringskosten komen uiteindelijk weer terug in de vrachtprijzen.
8. Olievolatiliteit
Optiehandelaren reageren vaak sneller dan de fysieke markt. De CBOE crude oil volatility index (OVX) meet de verwachte prijsschommelingen in olie. De index wordt vaak omschreven als de VIX voor de oliemarkt en fungeert als een graadmeter voor angst en onzekerheid onder handelaren.
In tegenstelling tot de olieprijs zelf volgt de OVX de impliciete volatiliteit en niet het prijsniveau van ruwe olie. De index wordt berekend op basis van opties op de United States Oil Fund (USO), een beursgenoteerd fonds dat is ontworpen om de futures op West Texas Intermediate-ruwe olie te volgen.
Hogere niveaus duiden op toenemende verwachtingen van prijsschommelingen. Waarden onder 25 wijzen doorgaans op een stabiele markt, terwijl niveaus tussen 25 en 40 wijzen op gematigde onzekerheid. Waarden boven 40 komen meestal voor tijdens geopolitieke schokken of verstoringen in het aanbod.
Maandag sprong de index 7,1 procent omhoog naar 111. Dinsdag zakte hij weer richting 100. Voor het uitbreken van de oorlog lag de OVX rond 65.
9. Oliebedrijven
Koersen van olieconcerns stijgen doorgaans bij hogere olieprijzen, omdat beleggers rekenen op sterkere kasstromen. Shell, TotalEnergies en BP presteerden tijdens de recente olieprijssprong beter dan de brede Europese aandelenmarkt.
De koersstijging van Shell beperkte maandag bijvoorbeeld het verlies van de AEX-index.
Verder in de keten profiteren ook olieservicebedrijven zoals Schlumberger en Halliburton wanneer hogere prijzen leiden tot meer boringen en exploratie.
10. Gas, LNG en de TTF
Hogere olieprijzen en stress in de energiemarkt werken door in gas- en LNG-markten. In Europa geldt de Nederlandse Title Transfer Facility (TTF) markt, gemanaged door de Gasunie, als belangrijkste referentieprijs voor gas. Na de Russische invasie van Oekraïne in 2022 bereikte de TTF recordniveaus rond de 200 euro per MWh.
Het frontmonth-contract voor april noteerde dinsdag rond 47 euro per MWh, lager dan de vierjaarspiek van 56 euro maandag maar ruim boven het niveau van circa 30 euro eind februari.
Net als olie noteert gas momenteel in backwardation, al is dat hier minder uitgesproken.
Europa’s gaspositie is daarnaast structureel veranderd. Sinds het continent afstand nam van Russisch pijpleidinggas is de afhankelijkheid van LNG sterk gestegen. De Verenigde Staten zijn inmiddels de grootste leverancier, naast Qatar. De Amerikaanse exportcapaciteit, het weer aan de Golfkust en het Amerikaanse energiebeleid zijn daarmee bepalend geworden voor Europese gasprijzen.
Als meerdere van deze indicatoren tegelijk dezelfde kant op bewegen, proberen energiemarkten meestal één ding te zeggen: de schok is nog niet voorbij.