Een nieuwe wet bevestigt dat het voor de beleggers voldoende is om eerst binnen de vijf jaar een teruggave te vragen aan de fiscus, vooraleer eventueel naar de rechtbank te stappen.
Waarover gaat het?
Jarenlang heerste er verwarring over de wijze waarop belastingplichtigen roerende voorheffing moesten terugvorderen die niet ingekohierd werd en evenmin voorwerp uitmaakte van een kennisgeving van inning, zodat er ook geen administratieve beslissing bestond waartegen bezwaar kon worden aangetekend. Volstond enkel een aanvraag tot terugbetaling aan de belastingadministratie? Of diende er eveneens een gerechtelijke vordering ingesteld te worden?
Wat de rechters zeiden
Dit mondde uit in rechtspraak van het Hof van Cassatie en het Grondwettelijk Hof. In zijn arrest van 21 december 2023 oordeelde het Hof van Cassatie dat een belastingplichtige een eerste verzoek tot terugbetaling van roerende voorheffing rechtstreeks bij de rechtbank kan indienen, zonder een voorafgaand administratief beroep in te leiden bij de belastingadministratie. Het Grondwettelijk Hof bevestigde dezelfde interpretatie in zijn arrest van 13 maart 2025.
Wat de fiscus zei
De fiscus bleef echter van oordeel dat de zogenaamde uitputtingsvereiste moest worden nageleefd. Dat wil zeggen dat zonder voorafgaand administratief beroep een vordering voor de rechtbank onontvankelijk is. De fiscus beschouwde de terugvordering als een ‘georganiseerd administratief beroep’, waarbij men eerst de teruggave vraagt aan de administratie en daarna pas aan de Rechtbank. De fiscus bevestigde in een circulaire op 10 september 2025 zijn klassieke visie: het indienen van een administratief verzoek tot terugbetaling blijft een verplichte en afsluitende administratieve rechtsgang.
Wanneer dat dit niet gebeurt, zal de fiscus de ontvankelijkheid van een gerechtelijke vordering betwisten. Zij zal zich daarentegen niet beroepen op verjaring bij gerechtelijke stappen na afloop van de vijfjarige termijn, zolang het administratieve verzoek tot teruggaaf tijdig werd ingediend.
Nieuwe wet
Daar de waarde van zo’n circulaire onzeker was, gelet op de andersluidende hogere rechtspraak, drong een verduidelijking bij wet zich op. Deze verduidelijking kwam er met de wet van 19 december 2025.
De wetgever stelt uitdrukkelijk dat de belastingplichtige het verzoek tot teruggaaf moet indienen bij de belastingadministratie binnen een termijn van vijf jaar. De wetgever heeft er ditmaal voor gekozen te expliciteren dat het hier gaat over een georganiseerd administratief beroep, dat moet worden gevolgd met het indienen van een bezwaarschrift.
Het instellen van een terugvordering van niet-ingekohierde roerende voorheffing voor de rechtbank is aldus enkel nog mogelijk mits de eerbiediging van twee termijnen. Enerzijds geldt er een wachttermijn van zes maanden, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door de fiscus. Binnen deze termijn kan de belastingadministratie overgaan tot het onderzoek van het bezwaarschrift. Wanneer deze termijn is verstreken, mag de belastingplichtige de rechtsvordering instellen, ook al heeft hij nog geen beslissing over zijn bezwaar ontvangen. Anderzijds geldt een vervaltermijn van drie maanden waarbinnen de belastingplichtige de rechtsvordering moet instellen na ontvangst van een beslissing over zijn bezwaar.
Deze wetsaanpassing is van toepassing vanaf 30 december 2025. De wet voorziet wel nog een overgangsbepaling voor rechtsvorderingen ingesteld voor de inwerkingtreding.
Wat met Luxemburgse SICAV’s?
Luxemburgse beleggingsfondsen kunnen Belgische bronbelasting terugvorderen op grond van het toepasselijke dubbelbelastingverdrag tussen België en Luxemburg. Hoewel de Belgische belastingdienst de toepassing van het verdrag op Luxemburgse SICAV’s betwist, raden wij ten zeerste aan om “preventieve” terugvorderingen in te dienen. Belgische rechtbanken hebben impliciet de fiscale woonplaats van Luxemburgse SICAV’s erkend, wat hun recht op verdragsvoordelen ondersteunt.
Dirk Coveliers, kennisexpert van Investment Officer, en Robin Rosmeulen zijn verbonden aan Tuerlinckx Tax Lawyers.